También en Tampoco

Eenvoudige uitleg van También vs Tampoco

Zowel También als Tampoco worden gebruikt als je het eens bent met wat iemand zegt, of om aan te geven dat je het ook doet of hetzelfde voelt.

We gebruiken también om aan te geven dat we het eens zijn met een positieve uitspraak
We gebruiken tampoco om aan te geven dat we het eens zijn met een negatieve uitspraak

También:

  • Juan: Yo estudio español.
    Pedro: Yo también.

Juan zegt: “Yo estudio español” (Ik studeer Spaans). Pedro zegt “Yo también” (Ik ook); hij bevestigt dat hij hetzelfde doet. Je gebruikt dus también en niet tampoco, want de uitspraak is positief bevestigend.

Tampoco:

Maar indien zowel Juan als Pedro geen Spaans studeren, wordt het gesprek als volgt:

  • Juan: Yo no estudio español.
    Pedro: Yo tampoco.

Juan zegt “Yo NO estudio español” (Ik studeer GEEN Spaans), een negatieve uitspraak. Aangezien Pedro ook geen Spaans studeert, is hij het eens met de uitspraak van Juan, en zegt: “Yo tampoco” (Ik ook niet) want hij bevestigt dat hij hetzelfde ook niet doet.

Een aantal voorbeelden:

A: Yo hablo inglés. Ik spreek Engels.
B: Yo también (hablo inglés). Ik ook (ik spreek ook Engels).

A: María no habla portugués. María spreekt geen Portugees.
B: Yo tampoco. Ik ook niet.

tambien-tampoco

También en Tampoco in combinatie met Gustar.

Als je het eens bent met een uitspraak dat het werkwoord gustar (leuk vinden) bevat, verandert het begin van de zin. In plaats van YO gebruiken we A MÍ. En wordt A TÍ etc.

  • Juan: A mí me gusta el chocolate. Ik vind chocolade lekker.
    Pedro: A mí también. Ik ook (We zeggen hier niet “Yo también”).
  • Juan: A mí me gustan los perros. Ik vind honden leuk
    Pedro A mí también. Ik ook
  • Juan: A mí no me gustan las arañas. Ik vind spinnen niet leuk.
    Pedro: A mí tampoco. Ik ook niet.
  • Juan: A Pepe no le gusta bailar. Pepe vindt dansen niet leuk.
    Pedro: A mí tampoco. Ik vind het ook niet leuk.

Als je het niet eens bent met iemand.

Wat gebeurt er als je het niet eens bent met wat iemand heeft gezegd, of je doet niet hetzelfde ding als die persoon.

Als Juan zegt “Yo hablo francés” (Ik spreek Frans) en jij spreekt het niet, kun je geen también of tampoco gebruiken, want je doet niet hetzelfde als de die persoon. We zeggen dan heel eenvoudig: Yo no, of in het geval in combinatie met gustar; A mí no

  • Juan: Yo hablo francés. Ik spreek Frans.
    Jij: Yo no. Ik niet.
  • Juan: A mí me gusta el arroz. Ik lust graag (houd van) rijst.
    You: A mí no. Ik niet.

En hetzelfde als de andere persoon iets niet doet, of ergens niet van houd, en jij wel. We zeggen dan: Yo sí, of als gustar wordt gebruikt: A mí sí.

  • Juan: Yo no hablo inglés. Ik spreek geen Engels.
    Jij: Yo sí. Ik wel.
  • Juan: A mí no me gusta el arroz. Ik lust geen (houd niet van) rijst
    Jij: A mí sí. Ik wel.

Cursus Spaans voor volwassenen

  • Cursus voor 12 weken;
  • 12 online privélessen met gekwalificeerde leraar Spaans;
  • Inclusief toegang tot professionele online campus;
  • Starten op ieder gewenst moment!

Nu € 349,- in plaats van € 375,-


  Ja, ik wil deze cursus boeken! Meer informatie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *